1394568364Roodenburg uit, daar kreeg je in de tijd dat ik nog op niveau voetbalde knikkende knieën van. Ondanks het feit dat de afstand tussen mijn cluppie RCL in Leiderdorp en Roodenburg hemelsbreed misschien een paar kilometer is, was de gang naar Sportpark Noord niet zelden een lijdensweg. Daar, gelegen tussen de Merenwijk en de Kooi, speelden de Leidse jongens. In jargon ook wel schoffies genoemd. Soms wat minder gepolijst dan elders, maar daardoor niet minder fanatiek. Bob Rijsbergen, de zoon van, was er zo een: Fel, sterk en bovenbenen als scheepskabels. Echt een type voetballer waar het cliché ‘die moet je twee keer voorbij’ voor gold. Maar wel fair en sportief. Types als Bob gingen er fanatiek in, maar gaven na afloop wel altijd een hand. Teams van Roodenburg zaten vol met dit soort gasten. En in de kantine zaten de vaders. Ondanks het feit dat er op het scherpst van de snede werd gevoetbald, liep het zelden echt uit de hand. Sterker nog: na afloop stonden we vaak zij aan zij in de gezellige kantine. Je speelde dan weliswaar in een ander shirt, je kende elkaar vaak ook. Van school, van de oude Koets-o-theek of uit de wijk.

Ondanks het feit dat ik nog steeds voetbal, kom ik bijna nooit meer op Sportpark Noord. Roodenburg is traditioneel een zondagsclub en mijn sterrenteam (RCL 11) balt op zaterdag. Toch hoor ik regelmatig via-via verhalen over de club. Helaas niet altijd positief.  De roemruchte volksclub van weleer heeft in de afgelopen 20 jaar het nodige te verduren gekregen. “Wij zijn al jaren afgesneden van de bewoners” vertelde een van de bestuursleden toen ik er onlangs te gast was. “Het Wijkontwikkelingsplan Noord is al jaren aan de gang, maar een fatsoenlijke doorloop naar onze club is er niet. Het is eerder een hindernisbaan. En dat terwijl de Kooi toch altijd een Roodenburg-bastion was. Jongetjes en mannen uit die wijk voetbalde hier. Dat is nu wel een beetje verdwenen.” Ook de verbinding met de Merenwijk is alle behalve goed. De flats liggen dan wel op een steenworp afstand, een normaal fietspad is er niet. “Het is dus erg moeilijk om op de club te komen. Merenwijkers kiezen dan ook voor andere clubs en daar zijn wij de dupe van”. Er zou dus een betere verbinding moeten komen, bij voorkeur met de Merenwijk. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen.

Tijdens het gesprek word mij duidelijk dat Roodenburg geen baas is op en over het Sportpark. “Ons Sportpark heeft een wijkfunctie. Als mensen willen sporten moeten ze hier terecht kunnen. De hekken zijn dus nooit dicht. Gevolg is dus dat iedereen altijd op dit park kan komen. Er worden hier wel eens grappen gemaakt over hoeveel kinderen er hier op de tribunes verwekt zijn. Natuurlijk wordt er ook het nodige gesloopt” zegt een van de bestuursleden al wijzend naar een net in het doel dat er maar half in hangt. “Zo kunnen wij zaterdag geen jeugdteams ontvangen dus moeten wij het repareren. En betalen” Het zou de club een lief ding waard zijn om baas te kunnen zijn op het eigen terrein.  “Dan kunnen wij het beter beheren en zal er ook minder gesloopt worden.” Het was voor mij verbazend dat Roodenburg eigenlijk gewoon te gast is op het eigen sportpark. Dat moet wat mij betreft anders.

Verenigingen zoals Roodenburg zouden sowieso meer ruimte moeten krijgen om hun eigen accommodaties te beheren en te onderhouden. Daar zijn vaak wel vrijwilligers voor te vinden zo beamen ze ook bij Roodenburg. De dominante rol van het Sportbedrijf, die nu vaak velden en accommodaties beheert zou wel wat minder kunnen. Voetbalverenigingen die de sproeier niet aan mogen zetten of korfbalverenigingen die bomen niet bij mogen snoeien omdat anders de verlichting de velden niet aanlicht zouden tot het verleden moeten behoren. Verenigingen weten vaak wat het beste is voor hun eigen sportpark. Die moeten wat dat betreft ook eerste viool spelen.